Tenach, Bijbel, Koran

abrahamicAbraham, stamvader voor Jodendom, Christendom en Islam, is de basisfiguur voor Tenach, Bijbel en Koran, en bij hem is ook de geschiedenis van de Islam begonnen.

Abraham – vroeger Abram genoemd – wordt door God weggeroepen uit Haran (Genesis 12). Daar was zijn vader (naam in het Hebreeuws Terach, in het Arabisch Azhar) met zijn gezin neergestreken vanuit het Ur der Chaldeeën – het huidige Irak. De bewoners die hij in Haran aantrof waren veelgodendienaars, vermeldt de Koran in Soera 21. Zij hadden afgodsbeelden die zij dienden en vereerden. Abrams vader ging daaraan meedoen en had een winkel waarin hij die beelden verkocht. In de Koran lezen we hoe Ibrahiem (Arabische naam voor Abraham) zijn vader daarop aansprak. Zijn vader wilde niet luisteren en toen hij op een middag met de dorpelingen weg was, sloeg Ibrahiem de beelden stuk, op de grootste na. Toen de dorpelingen terugkwamen en alles zagen, viel al gauw de verdenking op Ibrahiem. Zij vroegen hem of hij die beelden stukgeslagen had, maar hij wees op het grootste beeld en zei: ‘Vraag het hem maar, als hij spreken kan’. En toen zij zeiden dat een beeld niet spreken kan, was dit voor hem de juiste reactie om te kunnen zeggen: ’Dus jullie dienen iets dat niet spreken kan en dat nergens toe dient, in plaats van de ene God te dienen – schamen jullie je niet?’ Daarop werden de dorpelingen woedend en wilden Ibrahiem in een vuur gooien. Maar de Allerhoogste – in het Arabisch Allah (al-Lah=de Enige God) – redde hem eruit en leidde hem op weg naar een ander land dat Hij hem voor zijn nageslacht beloofde.

In de Bijbel staat dat Abram 75 jaar oud was toen hij met zijn vrouw Sara, zijn neef Lot – een weeskind – en met dienstknechten en dienstmaagden en met zijn vee op weg ging. God beloofde hem dat hij en Sara tot een groot volk zouden worden. Maar toen Abram 85 jaar oud was en zij nog geen kind hadden, zei Sara tegen hem, dat hij naar haar slavin Hagar moest gaan en bij haar een zoon moest verwekken, die dan hun eigen zoon zou worden. Abram deed dat. Hagar werd zwanger en voelde  zich in dit opzicht nu de meerdere van Sara. Daarop maakte Sara haar het leven zo zwaar, dat Hagar wegvluchtte, de woestijn in.

Een engel trof haar aan bij een waterbron en vroeg haar waar zij vandaan kwam en waar zij naar toe ging. Hagar vertelde haar verhaal; daarop zei de engel, dat ze toch terug moest gaan en haar meesteres moest gehoorzamen. Ook vertelde hij dat zij een zoon zou krijgen die zij Ismael (=de Eeuwige hoort) moest noemen; hij zou een woudos van een mens worden, zo sterk.

Toen Hagar haar zoon ter wereld bracht, noemde Abram hem Ismaël.

Veertien jaar later verscheen de EEUWIGE opnieuw aan Abram om hem de geboorte van zijn zoon aan te kondigen, die Izaak zal heten. De EEUWIGE beloofde hem dat hij tot een stamvader van een menigte volken zou worden. Daarom zou hij voortaan niet meer Abram genoemd worden, maar Abraham (= vader van vele volken). Met hem en zijn nakomelingen zou de Eeuwige een eeuwig verbond sluiten, met de besnijdenis als verbondsteken. Hij beloofde ook Saraï, die voortaan Sara (= vorstin) zou heten, dat haar zoon tot een groot nageslacht zou uitgroeien. Op Abrahams voorstel om Ismael daarvoor te nemen en met hem het verbond te sluiten ging God niet in. Wel beloofde hij hem nogmaals dat Hij Ismael zou zegenen omdat ook hij een kind van Abraham is: God zou hem uitermate talrijk maken; twaalf vorsten zou hij verwekken en God zou hem tot een groot volk stellen. Op die dag besneed Abraham in opdracht van God zichzelf, zijn zoon Ismael  en alles wat mannelijk is in zijn huis.

Een jaar later werd bij Sara Isaak geboren en op de achtste dag werd hij besneden. Toen hij gespeend (van de borst af) was  werd er een feest gevierd en op die dag heeft Sara tegen Abraham gezegd, dat Ismael niet mocht erven met hun eigen zoon en dat Abraham hem en zijn moeder moest wegsturen. Abraham weigerde, maar ’s nachts zei God in een droom tegen hem, dat dit geen kwaad was en God gaf hem nogmaals de belofte dat hij Ismael tot een groot volk zou maken. Daarop liet Abraham hen gaan.

Toen zij verdwaald waren in de woestijn en Ismael van dorst dreigde te bezwijken, verscheen opnieuw een engel aan Hagar en wees haar op een waterput. Daarna zijn moeder en zoon samen verder getrokken en hebben zich in de woestijn Paran gevestigd. Ismaël is boogschutter is geworden en  Hagar heeft voor hem een vrouw uit Egypte genomen. Uit de Koranwoorden kan opgemaakt worden dat Ibrahiem op en neer reisde naar Hagar en Ismaiel. In opdracht van God heeft hij daar, in Bakka ofwel Mekka, met Ismaël een bedehuis gebouwd voor Ismaëls nageslacht. Toen zij de fundamenten van het huis optrokken heeft Ibrahiem tot God gebeden voor zijn beide zoons en hun nageslacht.

In de Tanach worden in Genesis 25 de twaalf door God beloofde zonen van Ismaël met hun namen genoemd. Ook staat daar vermeld dat na Sara’s dood  Abraham opnieuw een vrouw getrouwd heeft, Ketura, die hem nog zes zonen heeft geschonken; ook zij staan genoemd in Genesis 25. En ook deze zonen zijn door Abraham, met geschenken, bij Isaak weggestuurd, naar het Oosten.

In Genesis 25 wordt ook het sterven van Abraham vermeld. Zijn zonen Ismael en Isaak begraven hem samen.

Over het nageslacht van Isaak en Jakob (het volk Israël) gaat het bijbelverhaal verder. Hoe zij in Egypte belandden en daar 400 jaar later als een groot volk door Mozes in opdracht van God weggeleid werden. Hoe zij door de Schelfzee naar de Sinaï-woestijn trokken en  naar  de berg Horeb gingen. Daar sloot God opnieuw een verbond met het volk en gaf Hij Mozes, voor onderweg en voor straks in het beloofde land, de Tien Geboden en vele andere voorschriften.

Ook de Koran vermeldt Gods bevrijding van de Israëlieten uit Egypte door zijn knecht Mozes. Maar het volk van Ismael was al lang daarvóór naar het Oosten getrokken. Zij waren dus niet bekend met alle geboden en regels die het volk van Israël op de Sinaï had gekregen. Toch was ook aan Ismaëls volk door God destijds een zegen beloofd en daar horen ook geboden en leefregels bij.

Daarom is het niet verwonderlijk dat – hoewel pas vele eeuwen later – een nakomeling van Ismael, genaamd Mohammed, in het jaar 610 na Chr. door de Allerhoogste geroepen werd tot profeet over zijn volk en gedurende vele jaren – via de engel Gabriël (Djibril) – boodschappen kreeg die moesten worden gereciteerd en opgeschreven; dit is de Koran geworden, met als eerste en belangrijkste boodschap: ‘Zeg: “Hij is God als enige”’.

Een tekst die hij ook meekrijgt is: ‘Maar als jij in twijfel verkeert over wat Wij naar jou hebben neergezonden, vraag dan aan hen die het boek al van vóór jouw tijd lezen’ (Soera 10:94). Dit is de vroegste oproep tot dialoog en trialoog met Joden en Christenen. Mohammed heeft dat ook gedaan. En tot op de dag van vandaag zijn kinderen van Abraham met elkaar in gesprek over de God van Abraham. Dit gesprek gaat voort, in dialoog en trialoog.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *