Interreligieus leren

Interreligieus Leren

Interreligieus leren ontstaat daar waar mensen van verschillend geloof elkaar ontmoeten bij gemeenschappelijke activiteiten, zoals op school, op het werk, op een club. Aan dit interreligieus leren is dus een religieus leren voorafgegaan. Want mensen kennen hun eigen godsdienst en in de ontmoeting met anderen kunnen zij elkaars geloof leren kennen en vergelijken; misschien herkennen zij zelfs wel iets van hun eigen geloof in dat van de ander. En zo komt men van kennen en herkennen ook gemakkelijker tot erkennen van andermans geloof.

Meestal is er hulp nodig bij interreligieus leren. Daarom worden er boekjes geschreven met handleidingen. Eén zo’n boekje is ‘Ibrahiem en Abraham’, waarin veertig verhalen staan die de boeken met elkaar delen. Zulke verhalen bij elkaar brengen en met elkaar vergelijken kan boeiende gespreksstof opleveren, met name op school. Maar ook thuis en op de catechese kan zoiets aan de orde komen. De regels en zinnen zijn kort gehouden, zodat het ook te lezen is voor mensen die nog bezig zijn het Nederlands te leren. En omdat er in staat waar je die teksten kunt vinden in Tenach, Bijbel of Koran, blijkt het boekje ook al welkom te zijn in diverse lerarenopleidingen, ook Islamitische. Bovendien kan de stof op verzoek nog uitgebreid worden met onderwerpen waar jongere leerlingen nog niet aan toe waren. Want leeftijden veranderen, maar de bronnen blijven dezelfde.
Het boekje wordt sinds het verschijnen in 2000 gebruikt door de NZV (Nederlandse Zondagsschool Vereniging); er wordt naar verwezen en uit geciteerd in de rubrieken ‘Ontdekkenderwijs’ en ‘Aan-tekeningen’ in Kind op Maandag. Inmiddels is de tweede druk verschenen.
Onderstaand het artikel over Interreligieus Leren, opgenomen in ‘Begrip’ – Tijdschrift voor Ontmoeting met Moslims , juni-juli 2002, p.106-110, van Dr.Francien van Overbeeke-Rippen, onderwijskundige en theologe.

Interreligieus leren in het (basis)onderwijs met behulp van verhalen uit Bijbel en Koran.

Inleiding
De behoefte in het basisonderwijs aan interreligieus leren ontstaat met name daar waar leerlingen van verschillende geloofsrichtingen samen in dezelfde klas komen te zitten. In de regel zijn dit joodse, christelijke en moslim leerlingen. De inhoud van dit artikel zal dan ook beperkt worden tot deze drie Abrahamitische geloofsgroepen. Vanuit hun geloofsovertuigingen en hun culturele achtergronden brengen zij hun waarden en normen met zich mee.

Leren
Voordat het interreligieus leren ter sprake kan komen moeten we ons afvragen: Wat is leren? Leren is een proces van opvoeden en onderwijzen, en het opnemen, onthouden, verwerken en begrijpen van kennis; dit geldt ook voor het religieus leren.

Religieus leren als voorloper van interreligieus leren
Religieus leren is een activiteit die thuis al begint.
Onderwezen wordt er al vanaf het prille begin van een kinderleven; daar heet het dan ‘opvoeden’. Ouders als voeders en opvoeders vormen het eerste ‘referentiekader’ van een kind. Een kind is afhankelijk van de ouders; het oriënteert zich op hen en volgt hen; eerst alleen met de ogen en het hoofd, daarna gaat het zich naar hen omdraaien en later beweegt het zichzelf in hun richting.
In de leeftijd van 2-3 jaar beginnen kinderen in hun bewegingen hun ouders te imiteren; ook op religieus gebied gebeurt dat. Bidden de ouders, dan bidden kinderen mee. Ze nemen dezelfde houding aan en proberen de woorden na te zeggen; ‘leren door imiteren’; deze ‘imitatiefase’ gaat later over in de ‘identificatiefase’: het kind identificeert zich met de ouder van het eigen geslacht en imiteert hem of haar.

Gaandeweg gaan kinderen vragen naar het ‘hoe en waarom’ van de dingen. Vragen als ‘wat-is-dat?’ en ‘waarom?’ vergen van de ouders veel uitleg en geduld, vooral omdat zulke vragen meermalen herhaald worden, voor een ‘zeker weten’.
Maar de leeftijd van 0-4 jaar is dan ook een heel belangrijke fase in het leven van een kind. In de ontwikkelingspsychologie is het een bekend gegeven, dat 50% van de totale ontwikkeling van een 17-jarige in de eerste vier levensjaren plaatsvindt! Ouders doen er goed aan deze jaren present te zijn en te benutten,omdat eenmaal opgelopen achterstand in een bepaalde faseontwikkeling nauwelijks meer ingelopen kan worden.
Ook voor de religieuze opvoeding zijn deze eerste levensjaren belangrijk.
Plaatjes met verhaaltjes en rijmpjes die de kinderen, leergierig als ze zijn, graag willen zien en horen, zijn ook voor het religieus leren beschikbaar. Op deze wijze kan er heel wat ‘mondeling overgedragen’ worden. Voor de Israëlieten was het zelfs een goddelijke opdracht om de verhalen van God met zijn volk door te vertellen aan het nageslacht. (Deuteronomium 6:5-9) Ook rituelen en symbolen spelen daarbij een rol.

Voor zover jonge kinderen iets begrepen hebben van wat de ouders op religieus gebied overdroegen, horen en zien zij dit later bevestigd in hun ‘bedehuis’ – synagoge, kerk, moskee – waarheen zij meegenomen worden door (een van) de ouders. De devotie die zij daar ervaren resulteert later soms in een actief meedoen als bar/bat mitswa, koorknaap of als misdienaar/dienares.

Interreligieus leren
De godsdienstige opvoeding van de ouders wordt voor een deel overgenomen, wanneer kinderen de schoolleeftijd bereiken en in de klas ‘godsdienstonderwijs’ gaan ontvangen. Nieuwe informatie wordt toegevoegd aan reeds opgedane religieuze kennis en ervaring en samen geïntegreerd in de gedachtenwereld van de leerlingen.
Tegelijkertijd worden zij zich ervan bewust, dat er klasgenootjes zijn die een andere godsdienstige ervaring meebrengen. Hoe vroeger de school hier, b.v. in kringgesprekken, aandacht aan geeft, hoe vanzelfsprekender dit godsdienstig onderscheid door de kinderen geaccepteerd zal worden.

Naarmate leerlingen overgaan naar hogere groepen, krijgen ze meer te maken met ‘interreligieus leren’. Interreligieus leren vooronderstelt, zoals we zagen, religieus leren, zeker in het basisonderwijs. Als er geen basiskennis aanwezig is omtrent de eigen religie, zal het voor de leerkracht dubbel moeilijk worden om twee religies tegelijk te bespreken en voor de leerling extra moeilijk om deze kennis op te nemen en een plekje te geven, zonder dat verwarring optreedt (interferentie).
Leerlingen leren hoe zij de informatie over een andere religie kunnen vergelijken met die uit de eigen geloofswereld. Soms zullen ze overeenkomsten zien, maar zij zullen bij elkaar ook verschillen ervaren, zeker wat de beleving ervan betreft. Toch kan zo een nieuwsgierigheid gewekt worden naar het ‘anders-geloven’ van klasgenoten. Als ook deze laatsten vertrouwd zijn met hun eigen geloof, kan de leerkracht daarop inhaken en een interreligieus georiënteerd leerproces op gang brengen. Hoe doet hij/zij dat?

Uitgangspunt
De ervaring heeft geleerd dat het zoeken naar overeenkomsten een goed uitgangspunt is; het schept een betere sfeer. Je zoekt met elkaar naar dat wat je hetzelfde hebt; en misschien zal iemand ineens zeggen: ‘God’ of ‘Allah’, of ook ‘bidden’ of ‘zorgen voor elkaar’. Je kunt dan vragen hoe ze dat weten en er zal een bron genoemd worden: de Bijbel of de Koran, het heilig Boek van Christenen resp. Moslims. Wat staat daar dan in? Er kan afgesproken worden, dat de leerkracht zal zoeken naar iets in die beide Boeken dat over hetzelfde gaat.
Met het schrijven van het boekje ‘Ibrahiem en Abraham – Koran en Bijbel verteld voor kinderen’ heb ik zulke teksten uit beide Boeken bij elkaar gebracht en er een volgorde aan gegeven zoals we die uit de Bijbel kennen: Schepping, de eerste mensen, de eerste zonen, Noach/Noeh, Abraham/Ibrahiem, enz. Op deze wijze ontstonden veertig verhalen, herkenbaar uit Tenach/Oude Testament, Nieuwe Testament en Koran. We kunnen ook zeggen: één groot verhaal in veertig delen, met in de marges verwijzingen naar de betreffende Bijbel- en Koranverzen. De regels zijn kortgehouden, rekening houdend met de minder taalvaardigen.
Het CPS (Christelijk Pedagogisch Studiecentrum) heeft het boekje ‘geadopteerd’ en een handleiding voor leerkrachten eraan toegevoegd, in het kader van ‘ontmoetingsonderwijs’.
Een paar verhalen zijn door het CPS ‘uitgeprobeerd’ op enkele christelijke en islamitische scholen. De daar opgedane ervaringen hebben zij in de handleiding vermeld.
Eén van de voorbeeldlessen was het verhaal van Noach, ‘Noeh’ in het Arabisch van de Koran. De eerste naam was bekend bij de Christenkinderen, de tweede verraste de moslimkinderen: vanwege het Arabisch was er plotseling herkenning en ontstond er prompt een ‘dialoog’.

Kennen kan dus leiden tot herkennen. En op basis van dit herkennen van het eigen verhaal kan de leerkracht de beide verhalen naast elkaar leggen: vertellen ze allebei hetzelfde, heeft elk verhaal ook iets eigens – en wat is dat dan?
Hoe kan het komen, dat de verhalen zoveel op elkaar lijken? In een gesprek dat daardoor op gang komt kunnen gegevens worden uitgewisseld. Herkenning van iets van je eigen verhaal in dat van de ander bergt erkenning in zich. Aan de leerkracht is het dan om dit proces positief te begeleiden en niet de eerste nadruk te leggen op de verschillen. Verschillen kunnen aan de orde komen nadat er onderling vertrouwen is gegroeid; dan zou de leerkracht vragenderwijs de leerlingen antwoorden kunnen laten geven over het hoe en waarom van deze verschillen. En perslot: verschillen mogen er blijven; hopelijk hebben deze kinderen nog een heel leven vóór zich om te ‘lernen’, d.w.z. niet alleen leren door onthouden wat je hoort en ziet, maar hierdoor iets gaan inzien.

Leerkracht en leerlingen kunnen samen met deze leerstof aan de gang. Bij de twee getoetste lessen zijn door CPS vragen meegegeven in de handleiding, ook voor het klasgesprek. Ervaringsvragen komen er ook in voor: heb je ook wel eens zoiets meegemaakt? Kinderen zullen misschien vanuit hun culturele achtergrond iets vertellen.
Verder worden door het CPS vijf pedagogisch-didactische tips meegegeven:
1. Een goede voorbereiding is het halve werk.
2. Van elkaar leren, zowel leerkrachten als leerlingen.
3. Veelvuldig doorvragen om tot verdieping te komen.
4. Aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen.
5. Aandacht voor autobiografische aspecten: leerlingen die eigen ervaringen met elkaar gaan delen.

Een enkel puzzeltje toetst de opgedane kennis. Volledigheidshalve heb ik nu voor alle verhalen kennis- en inzichtsvragen opgesteld, met een enkel puzzeltje en rijmpje; dit voor geval de leerkracht daarvan gebruik wil maken. Deze bundel is per email bestelbaar en kost Euro 4,00.

Godsdienstonderwijs op openbare scholen
In dit artikel is uitgegaan van interreligieus leren op de christelijke basisscholen – Rooms Katholiek en Protestants. Maar ook op openbare basisscholen kunnen leerlingen godsdienstonderwijs in de eigen geloofsrichting ontvangen, als hun ouders daarom vragen. In de praktijk zal het evenwel niet zelden voorkomen, dat een godsdienstleerkracht leerlingen van diverse geloofsrichtingen onder zijn gehoor heeft. Op hem of haar rust dan de zware maar mooie taak om ook ook hier te zoeken naar iets positief-gemeenschappelijks van de groep. Misschien doet Ibrahiem/Abraham daarbij toch een handreiking.

Lerarenopleiding
Vanwege de Bijbel- en Koranreferenties in de marges wordt het boekje ook reeds verwelkomd als studiemateriaal in de diverse lerarenopleidingen, ook Islamitische.
Het boekje Ibrahiem en Abraham wordt ook gebruikt op een lerarenopleiding/PABO in Amsterdam. Ook Docentenplein maakt gebruik van onze website. Het LOI heeft onze website opgenomen in haar mediatheek.

Vervolgonderwijs
Dit boekje is geschikt voor de bovenbouw van het basisonderwijs, d.w.z. voor een leeftijd vanaf 10 jaar. Een bovengrens is niet exact aan te geven. Brugklassers zal het zeker ook nog aanspreken. Verder kan een uitbreiding van de leerstof gegeven worden voor hogere klassen. Want uiteraard zijn er verhalen die nog uitgediept kunnen worden voor oudere leerlingen en er zijn onderwerpen blijven liggen waar tienjarigen nog niet aan toe zijn.
Ook zijn er inmiddels vragen verzameld van Moslims en Christenen aan elkaar; 25 vragen uit het dagelijks leven, maar ook over elkaars heilige Boeken. In een bundel getiteld ‘Over en Weer’, die eind 2002 verscheen, geef ik daarop een persoonlijk antwoord, als aanzet tot een verdere dialoog en trialoog, met opnieuw verwijzing naar Koran- en Bijbelteksten. Want leeftijden veranderen, maar de bronnen blijven dezelfde.

Francien van Overbeeke-Rippen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *